Geschiedenis

1843

Lezers die de geschiedenis van hun land of van hun familie kennen, zullen weten dat de gemiddelde vlaming er toen een heel ander leven op nahield dan nu. De notulen van de Oostkampse gemeenteraad herhalen in dit jaar nog steeds hetzelfde treurige thema: armoede en nog eens armoede.

Opeenvolgende mislukten de oogsten van koolzaad, tarwe en aardappelen, en de hele bevolking moest erg sober omspringen met voedsel. Eén op drie gezinnen kwam daar zelfs niet aan toe en leed honger. Sociale bijstand was niet wettelijk geregeld zoals nu, maar gebeurde op vrijwillige basis via de kerk of andere caritatieve instellingen.

Zo werd in 1842 in Oostkamp een vereniging "Sinte-Cecilia" gesticht die zich bezighield met gezellig samenzijn en het bezorgen van eetmalen en klederen aan de armen.  De naam van deze patroonheilige was normaal voorbehouden aan zangkoren of fanfares, maar wellicht zullen de stichters dit niet geweten hebben, of gemeend dat in deze barre tijd niemand er iets voor voelde zich met muziek bezig te houden.

Toen in 1843 toch enige heren met een "instumentael muzie-korps societeyt" van start gingen, moesten zij dus wel een andere naam zoeken. Het werd "De Eendragt"

Zo'n korps was in die tijd een ernstige zaak en de pioniers hiervan waren heren van stand. Voorzitter was J. d'Hanins de Moerkerke, ondervoorzitter de heer Rotsaert de Hertaing en bestuursleden L. de Bie de Westvoorde, J. De Negri, E. Veranneman de Watervliet, G. de Negri, J. B. Dumon, J. D'Hoore, C. Lippens, P. Braet, P. Sabot en B. Verhaeghe.

Ook muzikant zijn was niet voor iedereen weggelegd. Bij intrede was een contributie te betalen van 5 frank (ca. 50 EUR aan huidig tarief). De bestuursleden betaalden een intrederecht van 5 frank + 8 frank per jaar. De muzikanten konden van de vereniging een instrument in leen krijgen, maar de meesten kochten zelf een eigen instrument aan.

Pas na 2 jaren gedisciplineerd muziek studeren deed de fanfare zijn eerste rondgang in de gemeente en in 1846 droegen de 36 muzikanten voor het eerst een uniform: een zwart fluwelen pak met bolhoed, beenkappen en handschoenen. Dit pak kostte 60 frank en dat was goed geld, reken 575 EUR  aan huidig tarief. Het grootste deel daarvan werd ter beschikking gesteld door de - wellicht vrij bemiddelde - voorzitter, die dan ook zijn rentmeester nauwkeurig liet toezien op de financiën van de maatschappij.

Op 26 juli 1846 mocht de societeyt optreden te Brugge ter gelegenheid van de Simon - Stevin feesten. Dit was een zeer bijzonder gebeuren, met een luister die we nu niet meer voor mogelijk houden. Tientallen praalbogen waren in de stad opgetrokken en 's avonds waren de straten sprookjesachtig verlicht door duizende chinese lantaans en olielapjes.

De Eendragt was er niet de enige fanfare. Medewerking werd nog verleend dor de maatschappijen van Aalst, Beernem, Oedelem, Ruddervoorde, Zedelgem, Mechelen, Sluis, Eernegem en Nieuwpoort.

In zijn bijzonder keurige "tenue" was de Eendracht bij de collega's uit Mechelen erg opgevallen. Toen in 1849 in Mechelen een gelijkaardig feest werd opgezet bij de onthulling van het standbeeld van Margaretha van Oostenrijk, was Oostcamp dan ook van de partij.

De Eendragt had er een verplaatsing van vier uur heen en vier uur terug voor over, maar loste de verwachtingen helemaal in. In de stadsarchieven van Mechelen staat het "Musiek Genootschap Oostcamp" geboekstaafd als "één der best gekostumeerde korpsen".

Toen Koning Leopold I in 1850 in Brugge het Landbouwcongres kwam openen, mocht de Eendragt mee een concert verzorgen. Toen de Eendracht aan de beurt was, was Zijne Majesteit al terug naar huis, maar dit kon de fierheid niet deren.

De stijl

In 1843 was de fanfare geen plaats voor een vrijblijvende hobby. De eerste bestuursleden waren geen heren om mee te lachen. Het waren edellieden die hoog in de achting van het volk stonden. Als zij hun naam ergens mee verbonden, dan moest dit hun reputatie eer aan doen. De societeyt voor Toonkunde legde aan haar leden een stevige discipline op en werd beheerd met de ernst van een huidige profvoetbalclub. Repetities duurden 3 uur en gebeuren in quasi militaire tucht. De voertaal binnen het korps was Nederlands, maar wanneer een optreden aan de pers werd aangekondigd, gebeurde dit in het Frans. Het werd als een grote eer beschouwd lid te mogen zijn van de maatschappij. Nieuwe leden werden pas aanvaard na aanbeveling. Het bestuur liet inlichtingen inwinnen over de goede naam van de kandidaat en besliste achter gesloten deuren over zijn aanvaarding. De kandidaat werd schriftelijk van het resultaat op de hoogte gebracht. De muzikanten betaalden een vrij hoog intredegeld, maar waren trots lid te zijn van dit doorluchtig gezelschap. Ook vele andere burgers van stand, die geen muzikant waren, stelden er prijs op - tegen een aanzienlijk jaarlijks lidgeld - deel uit te maken van de vereniging.

Het reglement

Van bij het begin werd er in het bestuur hard gewerkt aan het reglement. Met parlementaire ernst werden artikelenontworpen, geamendeerd en gestemd. Het "nieuwe" reglement van 1851 is een werkstuk met niveau.
Hier enkele markante artikelen:

De taakverdeling

Op de dag van vandaag staan de meeste dirigenten alleen in voor het verloop van de repetitie. In de vorige eeuw was daarvoor een hele ploeg voor aangeduid. De Bibliothecaris zorgde voor de kostbare partituren, Zaal-opzichter zorgde ervoor dat de zaal in orde was en de Muziek-meester dirigeerde. Daarboven was er nog de Muziek-opzichter die over het geheel controle uitvoerde en toezag op de naleving van het reglement. Uitvoerend werk als het klaarzetten van stoelen en lessenaars of het aansteken van de kaarsen, werd uit gevoerd door knechten, die daarvoor een jaarlijkse vergoeding mochten ontvangen. Ook voor het dragen van de grote trom was er een (betaalde) knecht, evenals een klerk die het schrijfwerk mocht doen.

Uitstappen

Veel opvoeringen gebeurden ter gelegenheid van officiële feestelijkheden in Oostkamp of in omliggende gemeenten. De huldiging van een pastoor, de opening van een stuk grindweg, de inhuldiging van een standbeeld, ... Steevast werden er daarvoor echte volkspelen georganiseerd met bebloemde en bevlagde straten, volkspelen, muziek en zang. (Iets wat in onze welvaartstaat lijkt verloren te gaan). Bij uitstappen buiten de gemeente deinsde men er niet voor terug flinke afstanden te voet af te leggen. De muzikanten kregen dan doorgaans ook een middagmaal. Klassiek waren - en zijn - ook de muziekfestivals waarop in de jaren 1800 vaak 12 muzieken en daarenboven ook zangkoren aanwezig waren. Het was gebruikelijk dat de fanfare van de organisator van de feestelijkheid een gedenkpenning meekreeg, die zorgvuldig in de trofeeënkast werd bewaard. Deze gewoonte bestaat bij muziekfestivals nog steeds.


De Kas

Minder dan een frank

De Eendracht werd gesticht door een schare notabelen, die er wat voor over hadden om van de vereniging iets eervol te maken. Zij wilden dan ook stipt op de hoogte gehouden worden van wat er met het lieve geld gebeurde. Ook de gewone leden, die een behoorlijk lidgeld betaalden, kregen in de jaarlijkse algemene vergadering een gedetailleerd kasverslag voorgelezen (De kopieermachine bestond toen nog niet!). Uit die verslagen kunnen we het volgende leren:

De gemeente springt bij

Het was in die tijd niet gebruikelijk dat een vereniging, gesticht en bestuurd door heren van stand, bij de gemeente ging aankloppen voor subsidie. Het was integendeel de gemeente die bij de fanfare kwam vragen om een feestelijkheid te organiseren voor het volk, of een benefietconcert voor de behoeftigen. Na 25 jaar bestaan jwam daar verandering in. De stichters, die voor hun geesteskind al eens in de brieventas tastten, waren overleden, en in het bestuur steeds meer vervangen door niet adellijke burgers, die wat minder royaal waren.

Rond 1870 kende het muziek een iets mindere periode, het aantal muzikanten zakte tot 22, er moesten heel wat instrumenten vernieuwd worden - en die waren toen ook niet goedkoop. Kortom allemaal redenen die ertoe leidden dat de toenmalige ondervoorzitter Henri Claeys de gemeente een smeekbrief stuurde. Deze brief is een prachtig literair werk waarover flink werd nagedacht. Dhr. Claeys begon eraan in 1868, en verstuurde hem in 1870, wellicht het juiste politieke moment afwachtend. Er werd, dat was toen ook al de mode, 200 frank gevraagd om 100 frank te krijgen, en dit was het begin van een nog steeds bestaande situatie waarin de fanfare in ruil voor een subsidie uit de gemeentekas, de openbare feestelijkheden opluistert.


De eeuwwisseling

50 jaar "De Eendracht"

Onder het impuls van Voorzitter (en burgemeester) Louis de Bie de Westvoorde en de zeer actieve ondervoorzitter Henri Joseph Claeys kende de vereniging een grote bloei op het einde van de 19de eeuw. Er waren noit meer dan 40 muzikanten, maar er was een zeer actief bestuur, dat in de gemeente zowat als feestcommissie fungeerde. Het 50-jarig bestaan werd in 1893 dan ook bijzonder luisterrijk gevierd. Een muziekfestival werd ingericht waarop niet minder dan 13 muzieken en 4 koren eerst in stoet van het station naar het gemeentehuis trokken. Nadat de afgevaardigden van die vereningingen een erewijn hadden genoten en de gebruikelijke medaille ontvangen, gaf ieder 2 ouvertures, fantasies of pot-pourri's ten beste. Een volle dag muziek dus. Voor die gelegenheid was door de fanfare een speciaal podium gebouwd, kunstig afgewerkt en versierd met wapenschilden, wimpels, lantaarns, ...

De uitgenodigde verenigingen waren: De 3 deelnemende koren werden - wie weet - aangezien als een soort voorprogramma, want hun namen worden in de geschiedenis niet vermeld.

Tot aan de oorlog

Na het halfeeuwfeest liet ondervoorzitter Claeys na 30 jaar activiteit zijn functie over aan zijn zoon Henri P. Claeys, die op zijn beurt vele jaren drijvende kracht zou zijn achter de maatschappij. Elk jaar bleef de fanfare een programma afwerken bestaande uit enkele optredens in eigen gemeente en een zeer drukke agenda aan muziekfestivals. Deze zorgden voor een rijke buit aan herinneringsmedailles, doch kostten de kas veel geld aan verplaatsingen per tram of trein. De bestuursvergaderingen uit die tijd maakten zich dan ook vaak zorgen over de kastoestand, die ong eens extra onder druk werd gezet door de wens om het muziek te laten leiden door beroepsmusici uit het leger, die daarvoor flink werden vergoed.

Toen op 4 augustus 1914 de oorlog losbrak telde De Eendracht 9 bestuursleden, 9 ereleden, 47 (steunende) leden en 23 muzikanten. De invloed die deze "ramptijd" op het dagelijkse leven van de bevolking had, kunnen de jonge mensen van nu zich nauwelijks nog voorstellen: het hele verenigingsleven stopte abrupt. Achter die vier jaartallen staat in de geschiedenis van De Eendracht als van vele andere verenigingen die Oostkamp toen rijk was, geheel niets.


De 20e eeuw

Een greep uit de vele hoogten en laagten, gewone en ongewone feiten, die het leven van de fanfare gevuld hebben van 1919 tot nu.

groepsfoto1951

Groepsfoto voor het gemeentehuis in 1951

Eendracht125jaar

Jubileümviering 125 jaar


De historische gegevens zijn overgenomen uit het boek "Geschiedenis van de Koninklijke Fanfare "De Eendracht" te Oostkamp" van Georges Claeys.
Tekst en foto's samengesteld door Johan Mercy en Carlos Van Maele.